|
Marine Kretologie
Djoeroemoedi - Is de Maleische naam, en aan boord als zoodanig gebruikt, voor inlandschen kwartiermeester.
Doft - Doften, zitbanken in de sloep. Men heeft losse en vaste doften, en zeildoften. Deze laatsten zijn dan de doften, waarin de masten voor het sloepentuig (emmertuig) of fantasietuig) worden geplaatst. Ieder op zijn eigen doft, wil zeggen dat ieder zijn eigen plaats heeft. Men past dit figuurlijk ook toe op de noodzaak tot samenwerking. Gemeenschappelijk samenwerken, doch ieder op z'n eigen doft, op z'n eigen plaats in de maatschappij.
Dolboord - De bovenste verdikte gang, ook wel rib of balk, doch niet te verwarren met het berghout, over de geheele lengte van de sloep, waarin zich de gaten voor de roeidollen bevinden.De roeidollen zijn stemvorkvormige ijzers (ook wel van koper), die in jollen of vletten gebruikt worden en voor reserve ook in de stoomsloep waren om bij machineschade de sloep toch te kunnen voortbewegen.
Dompen - Wordt aan boord alleen genoemd als een handeling met het kanon. (Vg. N. W. 1671: Dompen. De stocken achter op halen om laegh te schieten., 't geen geschiedt, wanneer men zijn vyant na de grondt wil jagen, of dat het schip hoger legt, als dat van de vyandt). Het schip dompen is: de monding laten zakken. De monding omhoog draaien noemde men vluchten. Bij de zware mirailleurs spreekt men van duik- en klimvlucht van het geobserveerde doel.
Donderpen- Bliksemafleider op de kloot, d.i. de platte schijf op het uiterste puntje van den mast of steng.
Doormannen - Doorgeven; "Wil je dat ding even doormannen?" Zoo gebruikt men aan boord ook 'opmannen' voor het aan dek roepen van dezen of genen schepeling en voor het hooger op doorgeven voorwerpen.
Doove Jut - Is een houten davit, o.a. in de barkas, (de zwaarste en grootste roeisloep aan boord), die goede diensten kon doen bij het uitbrengen van een werpanker of bij het vertuien.
Draadversperring - In Oost-Indië kreeg men als ontbijt rijst, waarbij een licht soort rotmok (haché). Het wordt gemaakt van mager vleesch uit blik, dat met een uitje en reuzel plus veel sambal opgesudderd wordt. Het vleesch, dat dan als dunne vezels uit elkaar valt, lijkt veel op draadjes. Zoowel om deze draadjes als om de sambal, die het heele geval nogal heet (bedis) maakte, noemde men dit soort haché aan boord in Indië draadversperring. De vette, zwaar te verwerken haché in Nederland, de z.g. rotmok, wordt ook met rijst gegeeten.
Drieling torpedo-lanceeririchting - Bij onze marine kende men reeds de dubbele lanceerbuizen (dubbelkanon of dubbelbuizen) voor de torpedos's op de jagers. Aan boord van den flottielje leider 'Tromp' (daarna ook op de 'Heemskerck' en de nieuwste torpedojagers) werden twee drielingen geplaatst, d.i. een inrichting, aan stuur- en bakboord of alleen in de midscheeps, waaruit drie naast elkaar liggende torpedo's gelanceerd kunnen worden.
Droogwant maken - Op niet al te oude plaatjes van de opleiding voor matroos aan boord van b.v. de 'Wassenaar' te Amsterdam, die in 1903 verdween, of aan boord van de 'Van Galen' te Hellevoetsluis en zelfs op de kweekschool voor de Zeevaart te Leiden (beiden omstreeks 1914 opgedoekt) kan men zien, dat het waschgoed te drogen werd gehangen tusschen de masten aan het want. Bij droog weer was dit inderdaad de beste plaats om het waschgoed van de schepelingen droog te krijgen. Het opbergen van dit waschgoed noemde men droogwant maken. Aan de opleiding voor matroos te Vlissingen en van de dienstplichtigen te Den Helder heeft men droogstellingen en het opbergen van deze lijnen met waschgoed gebeurde nog op dezelfde wijze als vroeger, n.l. het begin van de lijn werd om den hals, over den schouder van een der schepelingen gelegd. Hij draaide zich als een tol rond, terwijl de lijn met waschgoed om zijn schouders werd gewonden. Als het waschgoed aldus naar de verblijven is gebracht, wordt de man weer 'afgewonden' en de goederen van de lijn gehaald. Op de modernere schepen, waar men volledige wasch- en strijkinrichtingen heeft, zijn ook droogkamers. De naam droogwant maken bleef gehandhaafd voor het opbergen van droog gewaaid waschgoed.
Drijfijs - Snert met drijfijs. Stukjes, dobbelsteenen, spek, die in de erwtensoep drijven. Wil men de snert smakelijker serveeren, dan wrijft men deze door een zeef en verdwijnen de erwtenvelletjes; daarna doet men er de stukjes spek in. Men noemt dit doorgeslagen snert met drijfijs.
wordt vervolgd
|