Marine Kretologie

 

D.T.

 Was bij de marine het station voor draadloze telegrafie, zoals sinds jaren de radio inmiddels genoemd wordt.

 

 

Duivelsklauw -

 Sliphaak; dient om het einde van de ankerketting aan het schip te verbinden om het uitloopen te beletten. Aan boord van het pantser­schip 'Kortenaer' omstreeks 1910, gebeurde het bij slecht weer, dat toch het anker en de geheele ankerketting verspeeld werd, doordat men geen kans zag den uitloopenden ketting te stoppen en de duvelstoeja­ger uit den bodem van den kettingbak gerukt werd.

 

 

Duiven van de admiraal -

 Waar schepen zijn, zijn ook kokmeeuwen, althans ter reede en in elk geval in de haven. Dat is ook het geval in Den Helder. Men noemt daar de kokmeeuwen de duiven van den admiraal. Hun 'visitekaartjes' kunnen heel lastig zijn. Dikwijls zitten de kokmeeuwen op den kloot van den mast en valt hun 'visitekaart­je omlaag op de brug of op het halfdek of op wie daar toeval­lig staat. Als dit gebeurt tijdens vlaggeparade, waarbij iedereen front moet maken naar de vlag, dan is dit wel zeer ongepast. Men heeft dit zitten op den kloot wel eens trachten te voorkomen door er kleine spijkertjes in te slaan.

 

 

Eerste officier -

 Is belast met de uitvoering van den dienst. Gewoonlijk is het de oudste luit. ter zee 1e klas of een overste (kapt.luit.ter zee). Op kleine schepen spreekt men gewoonlijk van den oudsten officier, meestal een luit. ter zee 2e klas, doch in elk geval de oudste der aan boord zijnde zee-officieren, uiteraard den commandant niet meegere­kend.

 

 

Emmertuig -

 Een sloeptuig, bestaande uit mast met want en één ra, die als gaffel dienst doet, waaraan een gespleten zeil, waarvan het voorste gedeelte als fok, het achterste gedeelte als grootzeil wordt gebruikt. Dit z.g. doorgesneden emmertuig raakt echter uit de mode.

 

 

Enter op -

 Behalve dat men dit commando nog wel hoorde gebruiken als roep van den provoost in het benedenschip als de schepelingen naar dek moesten (Ajo! enter op), werd dit commando ook nog gebruikt aan boord van het opleidingsschip Hr. Ms. Noord-Brabant te Vlissingen. De matrozen, welke daar hun opleiding ontvingen, hadden den voortop ter beschikking, die volgetuigd was - echter zonder zeilen - en waarin men het enteren, uitleggen op de raas en joelen in 't want beoefende.

 

 

Equipage -

 Omvat alle schepelingen, dit is de bemanning beneden den rang van officier. Deze uitdrukking is uit den Franschen tijd. Dat is ook het geval met état-major voor de gezamenlijke officie­ren aan boord. Men vindt dit woord ook nog bij de uniform der officieren, nl de état-major-band, de zwarte band rond den rand van de officierspetten.

 

 

Ezelshoofd -

Komt aan bord ook zoo goed als niet meer voor. het is een verbin­dingsstuk tusschen den mast en de steng of stengen onderling. er is een rond en vierkant gat in het ezelshoofd. het vierkante gat wordt om het boveneinde van het onderste rondhout of den mast bevestigd;

door het ronde gat wordt het bovenste rondhout gestoken, dat met het vierkante ondereinde door middel van het slothout op de kalven van den mast (ook wel langzaling) rust. Het slothout was een langwerpig vierkant staaf ijzer, die dwars door een gat in de hieling van de steng gestoken werd. Ook aan den boegspriet bevond zich een ezels­hoofd, voor het kluifhout met het jaaghout.

 

 

Facteur -

 Ook nog een overblijfsel uit den Franschen tijd. Het is de man aan boord, die belast is met de distributie van de poststukken of/en het bijeenhalen en naar de post brengen van de aan boord geschreven brieven, e.d. Op buitenlandsche reizen een belangrijk man. Hij mag het eerst naar den wal om de post te halen en tot het laatste naar den wal gaan om de post te verzenden.

 

 

Fan -

 Een Engelsche uitdrukking, die aan boord nog wordt gebruikt, doch reeds lang ook wel ventilator genoemd werd. Het gebruik van de fan in hutten en verblijven neemt sterk af, omdat op de nieuwe schepen luchtleidingen zijn aangebracht. Op de oudere schepen zag men in elke hut of kleine verblijven een fan voor luchtkoeling. Tegenwoor­dig heeft men groote ventilatoren, zoo veel mogelijk voor ieder water­dicht compartiment een eigen ventilator, voor de verversching of de afkoe­ling van de lucht. In elke hut loopt van deze leidingen een vertakking naar hutten of verblijven, waarvan de opening aan het einde met een klep verstelbaar is, of afgesloten kan worden.

 

wordt vervolgd